
de Volkskrant
23 augustus 2013 vrijdag
Section: Economie; Blz. 19
De kwestie, Peter de Waard
Loodgieters waren in 2001 in Nederland niet te krijgen. Wie het toilet wilde laten ontstoppen omdat de stank onhoudbaar was geworden, moest zich suf bellen en hopen voor 75 gulden (34 euro) per uur ergens een vakman te vinden. Desnoods iemand die het voor dat geld zwart in de avonduren wilde doen. 

Soms riep een optimist dat in de verre toekomst, zo rond 2013, de Polen, Tsjechen en Hongaren uitkomst zouden bieden. Zij zouden na de toetreding van hun land tot de EU in 2004 kunnen helpen asperges te steken, bloembollen te pellen, tomaten te plukken en misschien zelfs huizen te bouwen, zodat het woningtekort zou worden opgelost. 

Maar dat was utopia. Wijze mannen dachten daar genuanceerder over. Voor het oplossen van de structurele krapte op de arbeidsmarkt, die er toen nog was, zou van migratie geen wonderen mogen worden verwacht. De gedachte dat hordes arbeidsimmigranten naar het Westen zouden komen, was onzinnig. De Sociaal-Economische Raad (SER), het adviesorgaan van de regering met 33 wijze, door de wol geverfde bestuurders, was het daarmee eens. Door de vergrijzing zou de potentiële beroepsbevolking in Oost- en Centraal Europa drastisch afnemen, terwijl de economieën naar die van het Westen zouden toegroeien. De Polen zouden in het buitenland niet meer zo veel kunnen verdienen. Nederland zou de tomatenplukkers en billenwassers ergens anders vandaan moeten halen. 

De angst van Duitsers, Finnen en Oostenrijkers voor massale arbeidsimmigratie moest Nederland met een korrel zout nemen. Bij de toetreding van Griekenland in 1981 en Spanje en Portugal in 1986 was dat ook niet gebeurd. Toen was er onder druk van Nederland nog een overgangsregeling tot stand gekomen, maar dat was nu nergens meer voor nodig. 

Volgens sommetjes van de Europese Commissie zouden jaarlijks zo'n 70 duizend arbeidsmigranten uit de nieuwe EU-landen naar het Westen komen. Daarvan zou de overgrote meerderheid, 45 duizend, naar Duitsland gaan. Oostenrijk zou er 8.000 krijgen en Nederland 2.500. In 2030 zouden ongeveer 44 duizend Oost-Europeanen in Nederland werken. Met een extra lange overgangsregeling zou Nederland zich in de voet schieten met rotte tomaten, ongewassen billen en verstopte toiletten. De Polen konden niet snel genoeg komen. 

Inmiddels zijn al 150 duizend arbeidsmigranten naar Nederland gekomen en dat aantal zou kunnen oplopen tot 500- à 600 duizend in 2040. Minister Asscher heeft de noodklok geluid en de SER is andermaal gevraagd een inschatting te maken van de mogelijke bijdrage van de arbeidsimmigratie aan de Nederlandse economie. 

Op die vergadering hoeven de toiletten in het SER-gebouw niet verstopt te raken, noch is een Poolse nodig om de koffie rond te brengen. De SER kan volstaan met een nulletje achter de getallen van 2001 te zetten. 

Reageren? 
Het zouden er 2.500 per jaar worden, een nulletje te weinig
